De orde van de dag van Éric Vuillard

De orde van de dag is het eerste werk van de Fransman Éric Vuillard (1968) dat in het Nederlands is vertaald. Met dit originele ‘draaiboek’, een filmische herziening van een stuk geschiedenis, de Anschluss van Oostenrijk bij het Derde Rijk, won Vuillard de prestigieuze Prix Goncourt. Een garantie voor een enorme afzet in Frakrijk en veel aandacht daarbuiten. Geschiedvervalsing is alleen geschiedvervalsing wanneer het wordt gemerkt. De overwinaars schrijven doorgaans de historie. Maar er zijn altijd andere invalshoeken. Dit boek laat maar weer eens zien dat het historisch bewustzijn op zich arbitrair is. Volksverlakkerij, stemmingmakerij, tja, eigenlijk een soort marketing. Een verklaring, een vergoelijking achteraf ook.

Een alwetende verteller doet kond van de voorbereidingen, van het heersende klimaat dat een dictatuur mogelijk maakt. Vierentwintig groot-industriëlen legitimeren bij een bijeenkomst de staatsgreep van Adolf en zijn clan. De komende honderd jaar geen verkiezingen, daar kunnen ze alleen maar een flinke sigaar bij opsteken en met een goed glas op proosten. Geen gepeupel dat aan de status quo zal kunnen tornen. Een mooi beeld, als het ware ontleend aan de beroemde eindeloze trap van de Nederlandse grafische meester van de trompe-l’oeil M.C. Escher, is de scene waarbij de heren van stad eeuwig rondjes aan het lopen lijken te zijn in het statige gebouw waar is afgesproken met de nieuwe machthebbers. Het paleis van de macht waarin ze feitelijk niet meer zijn dan marionetten.

Ineens is daar een moment van twijfel bij de verteller. En juist die korte hapering maakt dat dit werk een literaire zoektocht is, een verslag van een mógelijke waarheid. Ja, Vuillard gebruikt historische figuren, en zeker is dat hij nieuwe wegen inslaat, gebruik heeft gemaakt van veel documenten, maar het blijft een interpretatie. Eentje die zomaar de feiten heel dicht zou kunnen benaderen. Door de knulligheid die blijkt uit de beschreven handelingen, door de chaos, de stotterende oorlogsmachine, die met de mantel der propaganda himmelhoch jauchzend wordt afgedekt. Van de waarheid kun je feitelijk alleen maar dodelijk bedroefd raken.

‘Een onderneming is een persoon bij wie al het bloed naar het hoofd stijgt. Zoiets heet een rechtspersoon. [...] In het zakenleven is partijstrijd niet erg belangrijk. Politici en industriëlen gaan wel vaker met elkaar om.’

Bepaalde politieke beslissingen kunnen alleen maar genomen worden door steun, door het ter beschikking stellen van fondsen. Een groot deel van de schuld van misdaden tegen de menselijkheid ligt bij het grootkapitaal, bij de financiers. Zonder het Zwitserse bankgeheim had de nazi-oorlogsmachine niet op volle toeren kunnen draaien. (Uit Nederland alleen al werd 145.000 kilo goud gestolen en aan de ‘neutrale’ Zwitsers verkocht. Na de oorlog is de helft teruggegeven. 74.000 kilo ter waarde van pakweg 2 miljard euro is min of meer door de Nederlandse overheid afgeschreven. ‘Een zaak die volkenrechtkundig nogal gevoelig ligt.’)

Vuillard maakt er een mooie theatervoorstelling van. Waar Göring, gestoken in een operette-uniform – altijd al een wensacteur geweest – het gezelschap voorkookt alvorens de grote leider ten tonele verschijnt. Een schertsvertoning, maar wel eentje met een dodelijke ernst. Tegenspraak wordt niet geduld. Het is feitelijk niet meer dan een pro-formazitting. Ook bij de vergelijkbare ontmoetingen met buitenlandse vertegenwoordigers, zoals met lord Halifax en met minister-president Chamberlain (‘Je t’aime Berlin’), wordt afwisselend met mooie, nietszeggende woorden gefleemd dan wel flinke spierballentaal rondgetetterd. Alle terughoudendheid laten de nazi’s varen. De burggraaf Halifax denkt in eerste instantie dat degene die hem ontvangt bij zijn auto een bediende is, maar het is der Führer zelf. Door het klassenverschil dat zich doet gelden, neemt hij Hitler niet heel erg serieus neemt, bagatelliseert hij het gevaar. Sociale blindheid, laatdunkendheid. Hij schrijft nadien over zijn gesprek met Hitler: ‘Het nationalisme en racisme zijn sterke krachten, maar ik beschouw ze niet als tegennatuurlijk of onfatsoenlijk! […] Ik kan er niet aan twijfelen dat deze mensen de communisten werkelijk haten.’ Tot zover de politiek van de appeasement. Terwijl de plannen voor de uitbreiding van de Lebensraum middels invasies in onder meer Oostenrijk, Tsjecho-Slowakije en Polen al klaar lagen.

De teneur van De orde van de dag (waar men uiteindelijk altijd maar weer met een zeker schoudersophalen toe over gaat) is bitter-ironisch. ‘Lompe streken maken ons sprakeloos.’ En dat is nu precies wat een dictatoriaal regime beoogt. De Oostenrijkse evenknie van Hitler, bondskanselier en jurist Kurt von Schuschnigg, wordt in 1938 samen met zijn minister van Buitenlandse Zaken Schmidt uitgenodigd in Berchtesgaden voor ‘overleg’. Er wordt hem door Hitler te kennen gegeven dat een Anschluss van Oostenrijk gewenst is. Voor de oekaze van Hitler is Schuschnigg al week gemaakt. Het overleg wordt bijgewoond door een intimiderende staf van nazigeneraals. Schuschnigg kan geen kant op. Het verdrag wordt opgesteld. Met een fijn eufemistisch slot. ‘Duitsland ziet af van elke inmenging in de binnenlandse politiek van Oostenrijk.’ En toch is er één moment van triomf van de Oostenrijkse bondskanselier. Wanneer de jurist Schuschnigg namelijk fijntjes wijst op het staatsrecht, de Oostenrijkse grondwet. Zijn handtekening is niet heiligmakend, aangezien de president van de republiek de leden van de regering aanstelt. De advocaat die de onwetende volksmenner te pakken heeft. Vuillard is genadeloos voor Schuschnigg.

‘Zo zat het dus, hij gaf niet alleen toe aan Hitler, hij moest zich ook nog achter een ander verschansen. Op het moment dat zijn macht werd gefnuikt, vond het aristocraatje het opeens uitstekend om die macht te delen.’

De reactie van Hitler is overweldigend. Voor het eerst van zijn leven heeft hij besloten om op een besluit terug te komen. Om vervolgens – de bruutheid van de dictator – helemaal niets aan het verdrag te laten wijzigen. En dan het souper, met wat gezellig gekout, over tot de orde van de dag. De Oostenrijkse president Wilhelm Miklas verzet zich met hand en tand tegen de benoeming van Seyss-Inquart als nieuwe bondskanselier van Oostenrijk, maar moet uiteindelijk buigen. Het theater rond het zenden van het telegram ter uitnodiging van de nazitroepen om ’te hulp te schieten’ buit Vuillard heerlijk uit. Feit is dat het telegram gezonden is ná de invasie. Dat een ‘referendum’ de actie achteraf heeft moeten legitimeren.

Een intocht die allerminst een blitzkrieg blijkt, aangezien door motorproblemen veel materiaal uiteindelijk met de trein moet worden aangevoerd. Als de intocht van een circus. De banaliteit van een verkeerschaos. Maar de beelden die de wereld overgaan, zijn die van juichende mensenmassa’s in de straten van Wenen. Zijn misschien sympathisanten opgetrommeld? Een gezuiverde menigte? (Geen bedoelde woordspeling.) Als geen ander wist het naziregime te manipuleren, de publieke opinie te sturen. Ja, zij zagen het belang in van ‘goede marketing’, geschiedvervalsing ter meerdere eer en glorie van hun verwoestende ideologie.

Stapsgewijs ontrafelt Vuillard een stuk van de geschiedenis, een detail. Het is waar, de grootste rampen komen vaak in kleine stapjes. En juist door een stukje voorgeschiedenis tegen het licht te houden, verandert onze door de propagandafilms ‘voorgekookte kennis’ van het grotere geheel. De macht van de nuance. Daarom kan, zal en moet er altijd over deze schokgolf, deze breuk in de geschiedenis geschreven worden.

Het aantal zelfdodingen in de eerste dagen na de Anschluss is overweldigend. En daar komt de bittere ironie nog eens fijntjes naar boven. Het Oostenrijkse gasbedrijf weigert nog aan Joden te leveren, omdat ze bij voorkeur met gas een einde aan hun leven maken… en vervolgens de rekening niet betalen.

De orde van de dag is ook een verslag van opportunisme. Zo wordt de falende Schuschnigg nota bene na de Tweede Wereldoorlog hoogleraar staatsrecht aan de Universiteit van St. Louis. ‘Hij die nee wist te zeggen tegen alle grondrechten.’ Bij gebrek aan hangmen wordt Johann Reichhart – de beul die tijdens het Derde Rijk duizenden heeft opgehangen – in 1946 ingeschakeld om terdoodveroordeelden terecht te stellen, waaronder de rijkscommissaris der lage landen Seyss-Inquart.

Voor de industriëlen was de oorlog profijtelijk. En ook na de oorlog is het business as usual. Vergoelijking en afzwakking alom. Zonder met zijn ogen te knipperen had bijvoorbeeld Gustav Krupp astronomische bedragen gegeven aan de nazi’s. Met het verstrekken van ‘Wiedergutmachungsgeld’ – eigenlijk ook een onsmakelijk woord, alsof een afkoopsom alles weer zou witwassen – ging het concern op z’n zachtst gezegd veel moeizamer om. De onderhandelingen door zoon Alfried Krupp sleepten jaren voort. Deze waren evengoed doorspekt met antisemitische uitspraken. Uiteindelijk werd er een akkoord gesloten. Overlevenden kregen twaalfhonderd dollar. Zoals Vuillard het treffend zegt, ‘als algehele vereffening nogal weinig’, maar Krupp werd in de pers alom geprezen. De regeling verzandde. Allengs werd er niet meer dan vijfhonderd dollar per persoon betaald. En tenslotte niets meer. En dan volgt de gruwelijk confronterende regel: ‘de Joden hadden te veel gekost’. Om te vervolgen en te eindigen met letterlijk een mooi beeld van de geschiedenis als een verstard monument op een feestplein waar eens per jaar boeketten worden gelegd en als fooi broodkruimels voor de vogels.