Lang leve het KNIR!

Om gedichten te schrijven heb ik een plek nodig, waar ik me niet thuis voel. Een plek die mijn hart bijt. De gedichten die ik schrijf zijn mijn poging om te ontsnappen van die plek. Gedichten hebben de on-plek nodig, de geen-ruimte, maar een roman juist niet.

Als ik een roman schrijf, moet ik compleet geïsoleerd zijn van de wereld. Dan wordt de plek het papier waarop ik schrijf. Als ik schrijf aan een roman, erger ik me het meest aan mensen. Het afschuwelijkste is als iemand opeens verschijnt in de schuur waar ik schrijf, of achter het raam. Dan schrik ik zo erg en word ik in verlegenheid gebracht door die schrik. Opeens word ik dan van het personage waarin ik op dat moment woon, naar de schrijver getrokken. Iets wat normaal gesproken maanden de tijd nodig heeft, en nu in één seconde moet gebeuren.

Eens huurde iemand mij in om hem te helpen een boek te schrijven over zijn leven als cadeau voor zijn kleinkinderen, een uitgave in eigen beheer. Hij zei dat alle personages en gebeurtenissen in zijn hoofd zaten, maar als hij wilde beginnen met schrijven, lieten de woorden hem in de steek. Ik bezocht hem in zijn grote vrijstaande huis aan de gracht, waar hij met zijn hond woonde. Zijn ex-vrouw en drie kinderen woonden inmiddels in andere steden. Ik liep heen en weer over de drie verdiepingen en vond geen spoor van iemand als bewijs dat ze daar ooit hadden gewoond. Wellicht waren de personages bang om te vertrekken uit zijn hoofd naar zijn leven in dat grote, koude huis, waar ze zelf allang van vertrokken waren.
‘Zie je jouw kinderen en je ex-vrouw soms?’, vroeg ik hem.
‘Ja, twee of drie keer per jaar. In mijn zomerhuis.’
‘Als je je boek daar nu eens zou schrijven...?’, opperde ik. We reden erheen, en ik liet hem foto’s aan de muren hangen van de personages waarover hij wilde schrijven. Zo begonnen de woorden te druppelen van zijn hoofd naar zijn papieren. Zo had de plek van hem een schrijver gemaakt.

De allerbeste plek voor mij om te schrijven is het KNIR, het Koninklijk Nederlands Instituut Rome. Als het is gelukt om in mijn schuur zonder al te veel irritaties of afleidingen mijn roman af te hebben, lijkt het vaak op doosjes vol spullen uit een druk huis. Als ik die wil openen en alles op zijn eigen plek wil zetten, dan ga ik naar het KNIR. Het is een melancholisch gebouw, omringd door hoge bomen. Daar lijm ik mijn hoofdstukken en de personages aan elkaar. Na een paar dagen daar gewerkt te hebben, laat ik het lijken alsof mijn hoofdstukken in een keer geschreven zijn. Dan lijken ze meer op een glijbaan dan op een tunnel. Er werken stille mensen, omringd door boeken. Je krijgt er een grotere kans om kennis te maken met hun oren dan met hun monden en ze zijn enorm behulpzaam. Je kunt er een nietmachine lenen voor een week, en verdwalen op verdiepingen en jezelf ineens in een bibliotheek vinden, of naast een Romeins standbeeld zonder armen.

De tijd in het KNIR is altijd genoeg om een kwart van wat ik geschreven heb weg te gooien, over een ander kwart te twijfelen en met de overige twee kwarten mijn best te doen er een geheel van te maken. Zo wordt het KNIR mijn redacteur. Dat had ik nooit verwacht van een plek.