Bazip, Deibel

Ik denk dat ik een jaar of zeven moet zijn geweest toen 'De blauwbilgorgel' voor het eerst grote appreciatie bij me opwekte. Rond dezelfde tijd gingen wij in gezinsverband tijdens het ontbijt na of ook bij ons dekseltjes op verschillende potjes pasten, zoals in Cees Buddingh's gedicht 'Pluk de dag'. Hoewel Buddingh' (1918-1985) op een manier dus 'altijd al in mijn leven was', besefte ik bij het verschijnen van de bloemlezing Bazip, Deibel en andere verhalen dat ik waarschijnlijk nooit proza van hem had gelezen. In zijn voorwoord benadrukt Wim Huijser dat de auteur (naast vertaalwerk) 'alle denkbare literaire genres beoefende, van detective tot dagboeken en van toneel tot aforismen.'

In Bazip, Deibel laat hij bovendien zien dat het korte verhaal vele vormen aan kan nemen. Zo wordt de bloemlezing besloten met een selectie uit misschien wel zijn beste werk: Een rookwolkje voor God (1982), aan poëzie neigende 'miniaturen', een genre dat later door A.L. Snijders tot 'z.k.v.' (zeer kort verhaal) werd herdoopt. Sommige van Buddingh's z.k.v.'s - zoals 'Mijn broer' - doen inderdaad, zoals de inleider stelt, aan het werk van Daniil Charms denken. Bijzonder leuk is ook het uitstapje naar science fiction 'Op deze gouden planeet'. Dit is de Buddingh' van 'De blauwbilgorgel', denk je bij een zin als: 'Hij had zijn vrim erbij neergegooid en was gaan liggen slapen onder een kriwiboom.' En ook bij het vroege, langere verhaal 'De jacht op de eluwij' (1959), waarbij een stam obsessief een fictief wezen najaagt, komt die associatie bij je op.

Sommige van de opgenomen korte verhalen zijn eerder memoires. 'Belofte maakt schuld' is een nogal saai gefictionaliseerd verslag van de oprichting van een literair tijdschrift en het beleven van een triootje. Het is een van de verhalen die je er, net als de inleiding, op wijzen dat literatuur in Buddingh's tijd nog meer dan nu als een mannenzaak werd beschouwd, net als vriendschap. 'Leve het bruine monster' (1969) deed me van bij de eerste zin ('Wanneer ik aan mijn jeugd denk, denk ik aan voetballen.') diep zuchten, en dat werd er niet beter op. Voetbal kan me geen lor schelen, en mijmeringen over iemands jeugd neigen me ook nogal eens te vervelen. Toch wist een ander voetbalverhaal, 'Daar ga je, Deibel!' (tevens de titel van zijn verhalenbundel uit 1975) me na nog meer gezucht toch bezig te houden, door de stiekeme boosaardigheid en uitzonderingspositie van de beschreven Jopie Deibel, een speler die tevens onmisbaar is, want de beste van de club. 'Ik geloof dat niemand Jopie ooit had kunnen leren zich niet bovenal te verkneuteren om de onmacht van anderen', schrijft Buddingh'.

In De avonturen van Bazip Zeehok, een roman in verhalen uit 1968, die het grootste deel van deze bloemlezing beslaat, ligt Buddingh's hart duidelijk bij die onmachtigen. De dertigjarige Bazip Zeehok is de schlemiel van dienst. De ene keer heb je enorm met hem te doen, de andere keer wil je hem geamuseerd-gefrustreerd door elkaar schudden omwille van de bijna ongeloofwaardige naïviteit en soms ook dwangmatige gezapigheid die hij aan de dag legt, of omdat hij zo extreem beïnvloedbaar is: ziet Bazip werklieden bezig met een pneumatische stamper, dan wil hij die zelf ook graag eens vasthouden, ziet hij een leuk kindje, dan wil hij ook zo'n kindje, ziet hij een meisje fietsend van een appel bijten die haar wordt voorgehouden door een vriendin, dan wil hij ook op die manier een appel eten en als hij op straat iemand 'Ik zou weleens lekker willen neuken!' hoort schreeuwen, dan denkt hij een meter of tien verder: 'Hé, dat zou ik ook best willen!'. Enzovoort. Meestal heb je de indruk de gedachten van een niet al te snugger maar erg lief en erg eenzaam kind te volgen. De lezer begrijpt altijd meer dan het hoofdpersonage en gunt het hem dat hij aan het eind van het verhaal een vrouw (terug)vindt en alles toch nog goedkomt voor iedereen. Hoe dan ook weet Buddingh' je heel nauw bij dit personage te betrekken, niet in het minst door zijn humor en zin voor absurdisme, zoals wanneer op drie bladzijden een oorlog uitbreekt en weer over gaat, zonder dat iemand weet tegen wie er nu eigenlijk werd gevochten.

De manier waarop het leven Bazip Zeehok overkomt, is hoewel extreem, toch ook herkenbaar. Causale verbanden zijn niet altijd aanwezig, en zijn ze er wel, dan merken we ze vaak niet of te laat op. De acties die een mens zelf onderneemt, vallen bovendien niet altijd logisch te motiveren, zo demonstreert Bazip al bij het begin van dit werk: 'Hij pakt een viltstift en schrijft op het tafelkleed: 'Dit lijkt de Sahara wel!' Zoiets doet hem goed.'